The Lamb of God

David Pinheiro Vicente 2020 Portugal 15 '
De zomerfeesten van een Portugees dorp zijn doordrenkt van sensualiteit en geweld in dit raadselachtige portret van een gezin.

Awards & selecties

  • Cannes 2020
11.11.2020 Michiel Philippaerts

Net als in voorganger ‘Where the summer goes’ uit 2018, kort besproken in dit artikel, richt Portugees David Pinheiro Vicente zijn lens op jonge, wriggelende lichamen in bezwete zomercontext. Ditmaal worden we naar een klein, naamloos dorp gevoerd, aan de vooravond van een traditioneel feest. De schuchtere Diogo aanschouwt de drukke werkzaamheden zwijgzaam, terwijl zijn leeftijdsgenoten elkaar stoeiend besproeien met een tuinslang. Wanneer een harde cut – van knap, druppend meisjesgelaat in close-up naar een windhaan die kletterend van richting verandert – door omineus gebrom wordt bijgestaan maakt Vicente nogal onomwonden duidelijk dat er meer dan één storm nadert.

De jonge Vicente is een bijzonder gevoelsmatig en raadselachtig filmmaker, en hoewel er al iets meer plot valt te vinden in ‘The Lamb of God’ dan in zijn vorige, berust zijn filmmaken nogal erg op elegante en mysterieuze ellipsen. Reden dat zijn beeldenstromen echter niet verwateren tot losstaande observaties of ontheemde indrukken is zijn nauwkeurig oog voor lichamelijkheid en tactiliteit. Meer geïntrigeerd in de manifestatie van kleine bewegingen (stuiptrekkingen, tics, trillingen, etc.) en hun erotische lading dan in de onderliggende psychologie of emotie van zijn jeugdige personages laat hij de getalenteerde director of photography Joana Silva Fernandes de lichamen van zijn personages prachtig uitlichten, waardoor elk haartje, elke zweetdruppel en elke kloppende ader perfect zichtbaar zijn. Dat sensuele voyeurisme voelde bij momenten gratuit aan in ‘Where the summer goes’, maar werpt zijn vruchten af wanneer het wordt ingezet om een koortsachtig web rond een (autobiografische?) parabel over dood, verlangen en (on)schuld te strikken.

Het sensuele voyeurisme werpt zijn vruchten af wanneer het wordt ingezet om een koortsachtig web rond een parabel over dood, verlangen en (on)schuld te strikken.

Morgen wordt Limpy, het lammetje dat nu al enkele dagen bij Diogo’s gezin verblijft, geslacht. Diogo’s jonge broertje Chico is zich echter van geen kwaad bewust en stopt maar niet met het knuffelen en liefkozen van zijn nieuwe speelmaatje. Diogo’s toegewijde doch licht apathische moeder, in een weinig verhullende keukenschort die haar grote boezem accentueert, stelt de kleine jongen fronsend gerust wanneer hij toch een kritische vraag durft stellen: “Limpy vertrekt morgen op reis, maar komt snel weer terug.” In de daaropvolgende scène wekt moeder Diogo tijdens een (natte?) droom en knettert de vreemde, oedipale spanning door de kamer: het lijkt de vonk die de roerende wolken in de nacht doet rommelen. Tegen de achtergrond van donder en Portugese schlagers die macaber door de muur sijpelen wordt een pact gesloten; Diogo belooft dat hij zijn broertje niet de waarheid over de naderende dood van Limpy zal vertellen.

Met de tweede helft van zijn kortfilm duwt Vicente zijn thema’s en beelden nog meer in het territorium van het Bijbelse. De link tussen de ontluikende seksualiteit — en dus, het wegvallen van onschuld – en het slachten van Limpy wordt zeer expliciet geslagen, maar de opzichtige metafoor wint aan kracht dankzij het oogstrelende tableau waarin Diogo op de binnenplaats naast Limpy en een slapende Chico naar het vuurwerk kijkt. De grote storm is uitgebleven? De volgende ochtend wordt bloed vergoten en het gezin – vermoedelijk voldaan na het feestmaal – valt weer in een diepe slaap. Dat Diogo niet meer van schaapjes droomt wisten we, maar of Chico’s geest zich vanavond nog even zoetjes roert is niet zeker. De eeuwenoude symboliek van rood-op-wit brengt een einde aan de twijfel.

2