Interview

“Een apotheose die de kortfilms plaatst waar ze thuishoren: op een voetstuk, en in de schijnwerper.”

De Belgische Wim Vanacker beslist sinds enkele jaren mee over de kortfilms in officiële competitie in Cannes. Dit jaar de enige films die kans maken op een Gouden Palm.
27.10.2020 Arne Reszczynski

Er zijn tal van filmfestivals om als jonge maker je film naar toe te sturen, maar hoe weet je welke plek geschikt is voor jouw werk? Wij vroegen het aan Wim Vanacker, ex-voorzitter van European Short Pitch en deel van het selectiecomité voor de officiële kortfilmcompetitie op het filmfestival van Cannes. ‘Er worden enorm veel films gemaakt, de competitie bij kortfilms is gigantisch.’

Eerst en vooral: wie zijn je collega’s in Cannes?
Vanacker: In totaal zijn we met tien, waarvan er drie ook effectief voor het festival werken. De anderen hebben ook ervaring in de filmindustrie, maar niet noodzakelijk enkel in de wereld van de kortfilms. Er zitten bijvoorbeeld ook producenten en verkopers van langspeelfilms bij. Het is allemaal vrij eclectisch.

Wie stelt het comité samen?
Vanacker: Vaak zijn het de huidige leden van het comité die kandidaten naar voor schuiven. Die gaan dan op gesprek met het hoofd van het filmdepartement van Cannes. Als dat goed verloopt, kan je beginnen.

Elk jaar zijn er tussen de vierduizend en vijfduizend inzendingen die jullie moeten bekijken. Hoe begin je daar aan?
Vanacker: Iedereen bekijkt tien procent van de inzendingen en maakt een persoonlijke selectie ‘favorable’ en ‘plutôt favorable’, in Cannes-termen. Elke film die goed tot zeer goed bevonden wordt, wordt door iedereen bekeken. Daarna maken we samen een shortlist waarna er drie sessies volgen waarop we samenkomen en alles nog eens bespreken, herbekijken en bediscussiëren. Om je een idee te geven: vorig jaar heb ik rond de zevenhonderdzestig kortfilms bekeken in anderhalf jaar.

Hoe wordt het dan concreet? Op basis van welke criteria worden de films gekozen?
Vanacker: Mensen hebben doorgaans een erg glorieus beeld van grote filmfestivals. Ze laten zich vaak kritisch uit over bepaalde selecties en denken dat er veel vriendjespolitiek aan te pas komt, maar dat is helemaal niet waar. De selectie is enkel gebaseerd op de kwaliteit van de films — we krijgen gewoon niet zo heel veel goede films binnen. De eerste keer dat ik in het selectiecomité zat, verwachtte ik mij aan hopen steengoede films. Uiteindelijk heb ik er zo’n zevenhonderdvijftig bekeken uit vijfduizend inzendingen, waarvan er dan drie of vier werken zijn die je echt wil verdedigen. Het is ook gewoon bijzonder moeilijk om een goede film te maken.

Wat is een goede film dan voor jou?
Vanacker: Het voornaamste is dat de film verhalende en artistieke kwaliteiten heeft. In de context van Cannes is het belangrijk dat een film weinig tekortkomingen toont. Er zitten vaak heel solide films bij waar toch nog veel fouten in gemaakt worden. Dat is altijd een struikelblok want die films vallen moeilijker te verkopen. Soms is het beter om een perfecte goede film te maken dan een imperfecte fantastische film.
 


Wim Vanacker © Vilija Buivyd, Baltic Pitching Forum

 

Het is ook belangrijk dat jonge filmmakers veel kortfilms kijken. Het geeft ze een beter beeld van wat een goede kortfilm inhoudt. Dat is misschien niet altijd even evident omdat niet alle kortfilms even toegankelijk zijn, maar het is wel iets is dat veel filmmakers missen waardoor ze niet echt een referentiekader hebben. Doordat ze er niet genoeg kijken, beseffen ze bij het maken ervan ook niet helemaal wat ze aan het doen zijn. Dan is je film ook vaak totaal niet origineel of heeft het geen toegevoegde waarde.

Kijken jullie elke film uit tot het einde? Hoe verloopt zo een screening?
Vanacker: Bij het eerste shot weet je ongeveer al wat voor film je te zien zal krijgen. De toon wordt daar min of meer gezet en je weet of je naar cinema aan het kijken bent, of eerder naar een flauw afkooksel ervan. We gunnen elke film wel minstens twee minuten. Voor de officiële kortfilmcompetitie in Cannes duren de films maximum vijftien minuten, dus als je twee à drie minuten bekijkt, heb je al ongeveer twintig procent van de film gezien. Dan heb je al een relatief goed beeld van de film.

Soms is het beter om een perfecte goede film te maken dan een imperfecte fantastische film.

Iedere film krijgt dezelfde kans maar gaandeweg weet je wel wanneer je moet verder kijken. Elke film is een aaneenschakeling van keuzes. Bepaalde zijn de juiste, andere niet. Het is vaak een accumulatie van slechte keuzes waardoor ik een film afschrijf. Het merendeel bekijk je niet tot op het einde, daar is sowieso geen tijd voor.

Hoeveel tijd hebben jullie om de uiteindelijke selectie te maken?
Vanacker: Twee maanden. Dat is niet lang omdat iedereen ook zijn vaste job heeft. Het kijken van die films komt er bovenop, als een soort hobby. Het is tegelijk een perfecte leerschool eigenlijk; je leert zoveel over film maken door films te kijken. Ik zou ondertussen een soort gids kunnen samenstellen met alle fouten die te vermijden zijn. Zeer veel fouten worden gemaakt omdat makers niet eens weten welke impact bepaalde elementen hebben op de kijker.

Geef eens een voorbeeld.
Vanacker: Het gebruik van pianomuziek. Wanneer een film begint met pathetische pianomuziek denk ik vaak: “Fuck”. Dat geeft een gevoel van gebrek aan persoonlijkheid, en dat heb je in heel veel films. Veel makers voegen muziek toe omdat het de emotionaliteit in de hand werkt, maar ze opteren voor muziek die niet geraffineerd genoeg is, waardoor de emoties niet sterker worden gemaakt, maar juist worden afgeplat. Sommigen gooien zomaar wat tegen de muur en hopen dat het een meerwaarde zal geven.

Veel jonge filmmakers mikken op grote festivals. Is dat een goed idee?
Vanacker: Langs de ene kant denk ik dat je het altijd wel moet proberen. Zeker Cannes, insturen is er namelijk gratis. Je weet maar nooit en het zou spijtig zijn om die kans mis te lopen. Langs de andere kant zijn er veel producenten die verworpen worden op grote A-festivals en dan alle kleinere festivals af gaan. Op dat moment moet je ook een soort realiteitszin hebben. Je moet je film recht in de ogen kunnen kijken en eerlijk kunnen toegeven welk potentieel je film heeft.

 


'Stephanie' van Leonardo van Dijl, deel van de competitie in Cannes dit jaar

 

Bij kortfilmfestivals zoals Leuven Kortfilmfestival en Go Short is een deel van hun selectie vaak een soort best-of van grotere festivals, aangevuld met een eigen selectie. Dan schieten er niet veel slots meer over. Er komen bovendien steeds nieuwe films bij en wanneer je film oud wordt, verschiet je eigenlijk ook je kansen. Op dat moment moet je keuzes maken. Films die overal verworpen worden, krijgen een soort label mee. Mensen beseffen dat films de ronde doen en dat ze ouder worden. Er worden enorm veel films gemaakt, de competitie bij kortfilms is gigantisch.

Hoe kunnen filmmakers het best hun film pitchen?
Vanacker: Dat hangt van de context af. Op een feestje of een netwerkevenement heb ik eigenlijk helemaal geen zin om te luisteren naar een pitch. Dan is het vooral de persoonlijkheid van de maker die me interesseert — ook belangrijk: je persoonlijkheid vertalen naar je film. Het is ook vaak een kwestie van smaak. Er zijn veel projecten die wel solide zijn, maar gewoon minder mijn ding. Het gaat om een artistieke stem, ook bij het pitchen. Die stem kan mij stimuleren om te luisteren naar hun verhaal.

Iedereen heeft een verhaal en het is belangrijk een platform aan te bieden aan mensen waarop ze zich kunnen uitdrukken op de meest geraffineerde manier.

Waarom is het zo belangrijk dat jonge filmmakers ondersteund worden?
Vanacker: Het is vooral een kwestie van zelfvertrouwen. Een selectie op een prestigieus festival kan dat vertrouwen enorm boosten. Je leert mensen ook goede gewoontes aan zodat je voor hun het proces versnelt. Het is als leren praten, en wij zijn er om naar hen te luisteren en hun fouten in hun spraak aan te wijzen waardoor ze die zelfde fout niet blijven maken. Film is expressie. In die zin is het wel interessant om hun project te helpen verfijnen zodat ze kunnen groeien in het medium en zichzelf kunnen uitdrukken op de manier waarop ze zich willen uitdrukken. Iedereen heeft een verhaal en het is belangrijk een platform aan te bieden aan mensen waarop ze zich kunnen uitdrukken op de meest geraffineerde manier.

Je maakt nu deel uit van First Cut Lab, een platform voor langspeelfilms. Hoe wordt er vanuit die wereld gekeken naar kortfilms?
Vanacker: Er wordt met veel respect naar kortfilms gekeken in de filmindustrie. Iedereen die in het Lab passeert als deelnemer, heeft zelf kortfilms gemaakt. Filmmakers weten dat je ervaring nodig hebt voor een langspeler en dat start bijna altijd bij een kortfilm. Niemand trekt het belang ervan in twijfel, toch niet in mijn wereld.

Los van langspeelfilms is het ook een kunstvorm die een meerwaarde heeft. Binnen experimentele cinema of animatie zijn er heel veel regisseurs die hun hele leven kortfilms blijven maken. Binnen de context van steunfondsen wordt er misschien wel met een andere bril naar kortfilms gekeken. Zij zien het vaak als een eerste speeltuin voor jonge makers die zichzelf willen ontdekken. De kortfilm ondersteunen wordt als een investering in de toekomst gezien, met het oog vooral gericht op het maken van iets langer.

Ondanks alles wordt de officiële kortfilmcompetitie van dit jaar toch voorgesteld, in Cannes, voor een jury. Er zal een Gouden Palm worden uitgereikt. Hoe voelt dat?
Vanacker: Ik ben een erg tevreden man dat ik eindelijk die films op een groot scherm zal mogen aanschouwen. In Cannes dan nog, en in de aanwezigheid van de makers en een jury. Mooier kan niet. Een perfecte kers op een taart die door de context veel veeleisender, langduriger en complexer werd. Een ideale apotheose die de kortfilms plaatst waar ze thuishoren: op een voetstuk, en in de schijnwerper.

De officiële kortfilmcompetitie van Cannes wordt op donderdag 29 oktober vertoond in het Théâtre Lumière in Cannes. De Belgische kortfilm 'Stephanie' van Leonardo van Dijl en 'I am afraid to forget your face' van de Egyptisch-Belgische maker Sameh Alaa maken kans op de Gouden Palm.

Coverfoto © Vilija Buivyd, Baltic Pitching Forum