Interview

“De zorgsector werd altijd al stiefmoederlijk behandeld.”

'Rabot'-regisseur Christina Vandekerckhove vraagt met haar kortfilm 'Mia' meer aandacht voor de zorgsector. Een gesprek.

Lees meer over

03.12.2020 Bo Alfaro Decreton

Drie jaar na het grote succes van ‘Rabot’ zoekt regisseur Christina Vandekerckhove opnieuw haar inspiratie in de sociale sector. Na de première op Film Fest Gent, mag ‘Mia’ dit weekend de Vlaamse competitie van Kortfilmfestival Leuven aftrappen. “Film kan een soort bewustzijn aanwakkeren waar de gemiddelde politicus niet in slaagt.”

Het moet er ongeveer zo hebben uitgezien: tijdens de research voor een nieuw project kijkt een filmmaakster vanuit het raam van een bescheiden appartement. Een vrouw komt rond het uur van altijd aan en parkeert haar wagen van altijd aan de voet van het flatgebouw van altijd. Hoewel de blikken van de vrouwen niet kruisen, doen hun levens dat onvermijdelijk wel.

De filmmaker in kwestie is Christina Vandekerckhove toen ze volop haar gelauwerde documentaire ‘Rabot’ (2017), over de gelijknamige sociale woontorens in Gent, aan het ontwikkelen was. In diezelfde periode sloop ook het idee voor haar eerste korte fictiefilm ‘Mia’ (2020) binnen: “Ik zag een thuisverpleegster en dacht: zij komt op heel veel plekken, ziet heel diverse mensen. Al die verschillende levens die ze tegenkomt, wat doet dat met haar?” Zo ontstond de wereld en het personage van Mia, vertolkt door Sofie Decleir. Een samenwerking waarover Vandekerckhove erg lovend was, sinds de eerste minuut: “Ik had haar gezien en dacht: ik geloof haar.”

 


Vandekerckhove (rechts) overlegt met actrice Dolores Bouckaert © Kris Dewitte

 

Vandekerckhoves eerste kortfilm kwam niet zonder de nodige uitdaging: “Ik neem heel graag de tijd om iets te vertellen, vandaar dat ik kortfilm persoonlijk een moeilijk medium vind.” Een eigen, werkbare definitie drong zich op: “Voor mij gaat een kortfilm meer over een gevoel, of een idee, of een fragment. Niet om een groot verhaal. Door die beperking in tijd moet je jezelf ook beperken, dat maakt het een zeer interessante oefening. Niet dat ik wil zeggen dat kortfilms louter oefeningen zij, daarmee zou ik het medium oneer aandoen. Het is wel een genre op zich. Een moeilijk genre.”

Ik, den Otto en ik
Wat de lift in ‘Rabot’ was, is de auto in ‘Mia’. Het doet de toeschouwer laveren tussen even verschillende als gelijklopende werelden. “De thuisverpleegsters parkeerden hun auto’s altijd vooraan. Ik zag hen instappen en dacht: nu zijn ze eindelijk alleen. Het is het enige moment dat ze kunnen nadenken over wat ze gezien en meegemaakt hebben, vooraleer ze aanbellen bij de volgende.” De auto vormt een rustpunt maar ook een plek van eenzaamheid, een gevoel dat centraal staat in de kortfilm.

"Ik wil graag films maken die ons laten kijken en niet laten wegkijken."

We volgen Mia één dag lang terwijl ze van patiënt naar patiënt gaat om (haar deel van) de nodige zorgen toe te dienen. Ze legt niet enkel de (letterlijke en figuurlijke) wonden van haar patiënten bloot, maar ook die van zichzelf. Vandekerckhove kaart zo een niet altijd voldoende serieus genomen probleem aan: het onzichtbare lijden door eenzaamheid. De Gentse regisseur puurt dat idee verder uit als paradox: de eenzame protagonist die omringd wordt door even eenzame patiënten. De functionaliteit van hun contact kan dat gevoel van isolement niet tenietdoen. Er is nood aan écht contact, contact dat functioneel wordt omdat functionaliteit geen vereiste is. Ondanks dat samen ongegeneerd de stilte ervaren vaak als de beslissende stap naar ware vriendschap wordt gezien, is dat bij ‘Mia’ net iets anders. Toch is het stilzwijgende hoofdpersonage niet van bordkarton: “Ze moet vooral het lef vinden om meer aan zichzelf te denken.”

 


'Mia'

 

Mia Madre
Dat wil Vandekerckhove ook aan haar eigen moeder meegeven, aan wie ze de film opdraagt. “Ik begin altijd met de vraag: voor wie zou ik dit maken?” Niet dat de persoon aan wie het werk opgedragen wordt, samenvalt of veel gelijkenissen toont met het verhaal: “Wat ik niet wil, is dat mensen denken van: amai, die heeft een moeder die zo incasseert! (lacht) Het is een heel erg warme en gevende vrouw, ze kijkt te weinig naar zichzelf om zich de vraag te stellen: maar wat heb ík nodig?”

De moederfiguur speelt een sleutelrol. Vele van de personages die we doorheen de dag leren kennen zijn moeders, net als Mia zelf. Dat die taak niet altijd even simpel is, wordt glashelder. Er gaat de nodige vermoeidheid, ontgoocheling en vervreemding mee gepaard, maar die waarden zijn niet absoluut: “Ik vind het heel schoon om ‘pogingen tot’ te zien bij mijn personages,” nuanceert Vandekerckhove. Ook Mia en haar dochter doen zo’n poging, wat resulteert in één van de meest snijdende scènes van de film.

"Toen kwam COVID-19 en voelden we plotseling wel allemaal het belang ervan en begonnen we witte lakens uit te hangen en te applaudisseren. Maar de zorgsector heeft meer nodig dan dat. Een fundamentele verandering."

Om die personages vorm te geven, dook Vandekerckhove in haar geheugen, een onuitputtelijke bron van inspiratie. Zo kwam ze, bijvoorbeeld, bij het tragische personage van Dolores Bouckaert terecht, die weigerachtig staat ten opzichte van hulp: “Ze is ontstaan door een scène die ik in het echte leven heb gezien. Als documentairemaker ben ik moeders tegengekomen die heel eenzaam met hun kinderen thuis zaten en niet meer de fut hadden om hen aan te kleden en naar school te sturen.” De focus ligt vaak op moeders die opvangen, maar Vandekerckhove werpt ook de accurate vraag op in welke mate we ons bekommeren over het opvangen van die moeders zelf.

De waarachtigheid van haar personages is dan ook cruciaal: “Ik wil het altijd zelf eerst geloven vooraleer ik het maak.” Je kan de regisseur dan wel van bij de documentaire weghalen, omgekeerd lukt dat niet: “Als documentairemaker ben je meestal iemand die observeert, vragen stelt en verschillende mensen ontmoet. Dat nestelt zich allemaal in je, daar put ik uit en vertel verhalen over wat ik ken. In die zin bestuift het één wel het ander, het is een verrijking.”

Vrijheid
Die verrijkende kruisbestuiving wordt echter vaak gezien als van kamp verlopen: “Waar ik mij soms aan erger, en dat is onterecht misschien, is dat je als documentairemaker in een vakje wordt geduwd, zeker als je plots fictie maakt.” Zo komen we bij een tweede kernwoord van Vandekerckhoves oeuvre: vrijheid. Vrij zijn om van genre te wisselen of de vrijheid waarmee tijdens het productieproces de schriftuur wordt aangepakt: “Scenario is een leidraad, iets waar het naartoe kan gaan, maar zeker niet iets waarop ik me wil vastpinnen.”

De belangrijkste vrijheid die ze claimt, is die die zich in de betekenis van haar films bevindt. Cinema gunt haar toeschouwers de vrijheid om zelf te bepalen welk totaalbeeld de vloed aan pixels voor hen vormt. Toch is de huidige maatschappelijke context waarin de film de wereld wordt ingestuurd, erg betekenisvol. ‘Mia’ werd vóór de uitbraak van het coronavirus in België gefilmd, maar ging in première in een land waarvan de visie op de zorgsector (op z’n minst tijdelijk) in de loop van enkele maanden drastisch anders werd. “De zorgsector werd altijd al stiefmoederlijk behandeld. Toen kwam COVID-19 en voelden we plotseling wél allemaal het belang ervan en begonnen we witte lakens uit te hangen en te applaudisseren… Maar die mensen hebben meer nodig dan dat. Een fundamentele verandering,” reageert Vandekerckhove scherp.

De vraag rijst op in welke mate bepaalde situaties nóg kritieker en nóg actueler moeten zijn vooraleer ernaar wordt omgekeken. Misschien moeten we, zoals Vandekerckhove aangeeft, het voortaan niet al te hoog zoeken op de trappen van vergelijking en de problemen oplossen naarmate ze zich stellen, en niet wachten tot erger?

 


Vandekerckhove (links) overlegt met actrice Sofie Decleir © Felle Janssens

 

De vrijheid die Vandekerckhove op verschillende manieren in haar werk weeft, sluit het geloof in het politieke potentieel van film echter niet uit. “Ik geloof dat film een bepaald soort bewustzijn kan aanwakkeren en zo meer kan losmaken bij mensen dan de gemiddelde politicus,” benadrukt de filmmaker. Toch wil ze zich daarbij allesbehalve als een moraalridder opvoeren: “Weet je, ik ben absoluut geen prediker, of ik wil niemand hardhandig een geweten schoppen.” De vergelijking met Ken Loach, als één van de bekendste politieke stemmen van het sociale drama, loert om de hoek. “Ik ben geen Ken Loach,” verzekert ze echter. Waarom zou ze ook? Anno 2020 hebben vrouwen wel betere dingen te doen dan zichzelf te vergelijken met de mannen uit de canon.

“Ik wil graag films maken die iets wezenlijks vertellen, die relevant zijn, ons laten kijken en niet laten wegkijken. Verhalen die ons raken en bezighouden.” Of dat engagement nu zijn toeschouwers vindt via documentaire of fictie, langspeler of kortfilm doet er dan, volgens Vankerckhove, niet meer toe. Het belangrijkste is dat de betrokkenheid er is. In 'Mia' vloeit die ongetwijfeld voort uit het feit dat “de beschouwende ogen van de regisseur ook die van de film zijn.”

Coverfoto © Felle Janssens