Artikel

Het succesverhaal van de Zweedse kortfilm.

Van Ingmar Bermgan over Roy Andersson tot Jonas Odell.
Land in focus
02.12.2007 Ils Huygens

Zweden is niet alleen het land waar de sociale verzorgingsstaat werd uitgevonden, het land van Ikea, H&M, van uitgestrekte meren en elanden maar is samen met zijn Scandinavische buren een grote klepper in de internationale kortfilmscène. Zweedse kortfilms winnen overal ter wereld prijzen op festivals en enkele succesvolle cineasten zoals Jens Jonsson, Jonas Bergergård en Jonas Odell zijn de voortrekkers van een nieuwe frisse wind. Vandaar de vraag: Wat heeft Zweden dat wij niet hebben?
 

Een socialistische miljonair

In Zweden wordt de cinema door de overheid ten volle gesteund. Aan de basis van het unieke systeem lag miljonair Harry Schein. Oostenrijker van geboorte werd hij in Zweden achtereenvolgens chemicus, politicus, bankier en schrijver. Hij was gehuwd met Ingrid Thulin, Zwedens meest bekende actrice na Greta Garbo en Ingrid Bergman. Nadat hij zijn vrouw in Hollywood had opgezocht, was hij vastbesloten de Zweedse film te promoten en overtuigde de toenmalige socialistische regering ervan om samen te gaan zitten met de filmmaatschappijen om een historische hervorming van het filmbeleid uit te dokteren.

 

Het Swedish Film Institute

Uit deze gesprekken kwam de Swedish Film Agreement tot stand. Een akkoord tussen de Zweedse overheid en de filmindustrie dat erin bestond dat de zware entertainment taks op filmtickets werd afgeschaft. In ruil daarvoor geven de bioscoophouders en tv-maatschappijen een percentage van hun inkomsten af aan het pas opgerichte Swedish Film Institute of Svenska Filminstitutet (SFI). Het geld wordt gebruikt voor de productie, distributie en promotie van Zweedse films.
 


Swedish Film Institute © Wikipedia

 

Het unieke systeem, zorgt er dus voor dat met de inkomsten van buitenlandse films de Zweedse cinema gesubsidieerd wordt. Het SFI organiseert ook jaarlijks de Guldbagge Awards, de Zweedse Oscars zeg maar. Alleen delen ze geen gouden mannetjes maar kevers uit. Petter Mattsson van het SFI verklaart, “gezien we zo’n klein landje zijn is filmproductie bijna onmogelijk zonder het SFI.” Maar niet iedereen is even overtuigd van de dominante rol van het SFI, Jens Jonsson omschrijft het als “ondemocratisch en elitair”.
 

Vrouwen achter de camera

Een van de meest controversiële clausules van de New Swedish Film Agreement van 2005 was dat tegen 2009, niet minder dan 40% van de filmmakers vrouwen moeten zijn. De beslissing werd genomen na de publicatie van een rapport over de filmwereld getiteld 'Men, Men, Men and the Occasional Woman' (2002). Wat blijkt: de Zweedse filmgeschiedenis heeft heel wat succesvolle vrouwelijke cineasten gekend, vooral op gebied van documentaires, kortfilms en kinderfilms. Maar eens ze willen opklimmen naar het niveau van langspeelfilms loopt er blijkbaar iets mis. Zweden heeft een beleid van gelijke kansen altijd heel hoog in het vaandel gedragen, ook in de politiek werden dergelijke quota al met succes toegepast. “We proberen alle elementen van de Zweedse maatschappij in de richting van gelijkheid te bewegen. Als we zien dat de filmindustrie achterblijft willen we hen onder druk zetten om gelijkheid na te streven op.” (Leif Pagrotsky, Minister van Cultuur)

 

Trollywood

Stockhom is traditioneel gezien het hart van de Zweedse filmindustrie, maar daar is sinds de jaren negentig verandering in gekomen. Een groot deel van de film productie verschoof naar regionale centra verspreid over het hele land. De nieuwe productiemaatschappijen werken vaak nauw samen met de regionale en lokale overheden, het voorbeeld bij uitstek is Film I Väst, dat gevestigd is in Trollhättan. Dit onooglijk stadje was een tiental jaar geleden niet meer dan een overblijfsel van een auto-industrie op retour met torenhoge werkloosheidscijfers en troosteloze gebouwen, maar is nu goed op weg Europa’s nieuwste filmhotspot te worden. (Vandaar de naam Trollywood).

Niet alleen worden zowat de helft van de Zweedse films er gemaakt, ook Lars von Trier kwam er 'Dancer in the Dark', 'Dogville' en 'Manderlay' filmen. Het stadje is ondertussen uitgegroeid tot een internationaal filmmekka waar restaurants, pubs en filmbedrijven als paddestoelen uit de grond groeien.

 

Twee grote namen: Lukas Moodysson en Roy Andersson

Een belangrijke internationale aandachtsboost voor de Zweedse film kwam er dankzij het succes van 'Fucking Åmål' (1998) van Lukas Moodysson die talloze prijzen won waaronder een Guldbagge. Moodysson creëerde nog even een kleine rel door bij ontvangst van zijn award te melden dat hij de ceremoniële Royal Opera niet meteen de juiste plaats vond voor een democratische kunstvorm als cinema. Op het Internationaal Kortfilmfestival Leuven kon je onder meer Moodyssons kortfilm 'Talk' ontdekken met het tragisch vereenzaamde personage Birger.
 


'World of Glory' (Roy Andersson)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Anderssons kortfilm 'World of Glory' (1991), die ook op het programma staat, kan alvast tot één van de meest succesvolle Zweedse kortfilms gerekend worden. Het Franse Clermont-Ferrand festival includeerde de film in hun lijstje van tien belangrijkste kortfilms ooit waarin ook de Lumières en Bunuel’s 'Un Chien Andalou' voorkwamen.
 

Een getalenteerde jonge generatie

Maar het is vooral op gebied van kortfilms dat Zweden de laatste jaren enorm goed scoort. Eén van de grootste prijsbeesten van vorig was ongetwijfeld Jonas Odells 'Never Like The First Time', die ook present was in Leuven in 2006. UK’s Channel 4 rekende hem recent nog tot de twintig beste animators in de wereld. De man richtte eigenhandig studio FilmTecknarna op die momenteel tot één van de meest gerenommeerde wordt gerekend voor het produceren van kwaliteitsanimatie en videoclips. Jonas Odell werkte o.a. voor Franz Ferdinand, U2, Goldfrapp en Madonna.

Een ander uithangbord van Zweden is Jens Jonsson, die als jonge dertiger al retrospectieves genoot in Clermont-Ferrand, Tampere én Rotterdam. In Leuven kan u nog tal van andere bekroonde Zweedse kortfilmmakers gaan ontdekken waaronder Lisa Langseth ('Gödkand'), Jonas Bergergård ('Natan', 'Coming Home', 'Alva') en Ola Simonsson en Johannes Stjärne Nilsson ('Music for one appartment and six drummers', 'Hotel Rienne').
 

De erfenis van Bergman

Het grootste verlies voor Zweden van het afgelopen jaar was ongetwijfeld de dood van Ingmar Bergman, die in 2005 zijn laatste meesterwerk afleverde 'Saraband'. Zijn invloed op de Zweedse cinema is gigantisch en ook de huidige generatie worstelt er nog mee.

"Zweden heeft de traditie erg introspectief te zijn. Ingmar Bergman maakte films die erg suicidaal en deprimerend waren, het reflecteert de ‘darkness of Scandinavia’. De nieuwe generatie regisseurs heeft een gelijkaardige dystopische visie op de wereld zonder pseudo-intellectueel te zijn. Maar ze maken allemaal erg persoonlijke films die vrij deprimerend zijn en toch enorm fascinerend.” (Petter Mattsson)
 


'Sarabrand' (Ingmar Bergman)

 

Na Bergman werd humor een belangrijk element in de Zweedse cinema, volgens Lisa Langseth was het een soort tegenreactie: “Hij was iemand met een zware geest. Dus na Bergman was het niet meer toegestaan om serieuze films te maken, hij was immers de man van de serieuze films.” Maar de huidige generatie heeft opnieuw aandacht voor de dagelijkse realiteit. “Nu denk ik dat die reactie zowat overgewaaid is en dat mensen niet langer bang zijn om serieus te zijn. Er worden weer films gemaakt over hoe het is om te leven in de Zweedse maatschappij van vandaag. Want in hun hart zijn Zweden eigenlijk best serieuze mensen,” vervolgt Langseth.
 

Zweeds karakter

De Zweden zijn niet alleen serieuze mensen, ze staan ook bekend voor hun gesloten en gereserveerd karakter. Volgens Peter Mattsson, reflecteert zich dat ook in hun kortfilms: “We hebben de neiging heel persoonlijke films te maken. Het zijn niet zozeer films die toewerken naar een punchline, maar eerder een beschrijving maken van een bepaalde ‘state of affairs’. Meestal zijn er weinig personages. We zijn geen grote praters dus dat reflecteert wel goed de ‘Swedish soul’.”

Zweedse kortfilms zijn emotioneel vaak erg intens maar vervallen nooit in sentiment door middel van zeer sterk acteerwerk, inventieve vertelstructuren en erg realistisch aanvoelende dialogen en situaties. Zweedse films focussen op de mens, zijn omgeving en zijn relaties met anderen. “Het belangrijkste is de manier waarop je naar mensen kijkt.” (Jens Jonsson) Maar gelukkig gaat de Zweedse nuchterheid ook hand in hand met een zekere ironie, waarmee ze de dingen bekijken. Zweedse kortfilms kenmerken zich door een droog- en absurd gevoel voor humor, een onderkoelde versie van Monty Python zeg maar. Zowel 'Natan' en 'Weekend' zijn hilarisch, zonder dat je daarom één keer luidop in de lach zal schieten, het is eerder onderhuidse humor. Het Zweedse succesnummer van 2002, 'Music for one apartment and six drummers', kan qua absurd uitgangspunt ook wel tellen.
 

Duizend meren en aurora borealis

De Zweedse zwaarmoedigheid heeft vast wat te maken met hun omgeving. Het land is voor meer dan de helft bedekt met donkere ondoordringbare bossen, uitgestrekte meren en woeste rivieren. In het Noordelijke Lapland kan je natuurverschijnselen als de middernachtzon en het mystieke aurora borealis of noorderlicht waarnemen. Je zou er voor minder stil van worden. De koning van de Zweedse bossen is de fiere eland en je vindt er ook beren, wolven en lynxen. Maar zoals we in de compleet absurde short 'Weekend' leren kan je maar beter uitkijken voor ‘treecutters’ als je een bungalow in de Zweedse bossen hebt gehuurd.

In 'The Lodge' zien we dan weer hoe een bende ravende city hoppers hun innerlijke zelf proberen terugvinden tijdens een trip in de natuur.
 

Pippi Langkous en seksueel verwarde tieners

Wie ons als kind ook steeds motiveerde om onze innerlijke harmonie met de natuur terug te vinden was Pippi Langkous. Na het zien van Pippi kregen wij steeds een onmiskenbare drang om boomhutten te gaan bouwen, diepzinnige conversaties met paarden aan te gaan en vooral, kapoenenstreken uit te halen in de stijl van lang vervlogen tijden. Het guitige sproetenkopje heeft Zweden alleszins geen windeieren gelegd. Na Bergman zijn de bestverkopende films uit de catalogus van Svensk Filmindustri (Zweden’s belangrijkste producent), de adaptaties van Astrid Lindgren. Hoewel de films van de jaren ‘50-‘60 eerder idyllisch waren, heeft Zweden nadien een heel sterke traditie uitgebouwd van kinder- en jeugdfilms die allerminst betuttelend maar juist erg realistisch waren en het gezond verstand van kinderen aanspraken.

Hetzelfde kan gezegd worden over Zweedse tienerdrama’s, wat ook één van hun handelsmerken is. Denk maar aan Moodyssons 'Fucking Åmål', of de kortfilms 'Godkänd' en 'Girl with a Videocamera' (Eervolle vermelding, IKL 2005), stuk voor stuk uitstekende voorbeelden van de subtiele en geloofwaardige manier waarop de Zweden omgaan met de pijnen van het opgroeien.
 

Tenslotte: een Noordelijk front

De Scandinavische landen werken traditioneel gezien op gebied van film nauw samen op gebied van productie en distributie. Buiten de Finnen spreken ze immers allemaal een erg gelijkaardige taal. De laatste jaren zijn de Denen wel enorm op de voorgrond gekomen met Dogma 95, Lars Von Trier en Anders Thomas Jensens ('Adam’s Apples') en dat steekt de Zweden wel eens de ogen uit. Maar gezien een bloeiende kortfilmproductie in de nationale cinema vaak een voorbode is, zou de Zweedse langspeelfilm binnenkort ook wel eens hoge toppen kunnen raken. Alvast uitkijken dus naar Jens Jonsson debuutfilm 'The King of Ping Pong'.

Coverfoto: 'Music for one appartment and six drummers' (Ola Simonsson, Johannes Stjärne Nilsson)