Artikel

De geschiedenis van de kortfilm, deel 1

Van de beginjaren tot de jaren '70

Wat is dat nu eigenlijk, 'een kortfilm'? Een duik in de geschiedenis van de kortfilm.
28.09.2014 Simon Desmet

Kortfilms blijven voor het grote publiek vaak onbekend terein. In dit dossier trachten we de basiskenmerken van de kortfilm als cinematografisch medium, verteltechniek en aparte tak van de filmindustrie uit de doeken te doen.

 

De beginjaren: cinema = kortfilm

Als we 1895 zien als hét beginjaar van de cinema, dan is dit ook het beginjaar van de kortfilm. Of meer nog: film ís kortfilm, althans in de periode 1896 tot 1906. De korte film als format was geen genre maar een vereiste: men was nog niet in staat om filmspoelen op een vlotte manier te wisselen, waardoor een lengte van 10-15 minuten het absolute maximum was. Vanzelfsprekend werd het label ‘kortfilm’ toen nog niet gebruikt, aangezien alle films kort waren.

Frankrijk wordt algemeen beschouwd als de bakermat van de cinema, en in één adem worden ook de gebroeders Lumière genoemd als uitvinder van de film (hoewel ze lang niet de enigen en zeker niet de eersten waren die experimenteerden met film, zie bijvoorbeeld de film van Edison verderop). Volgens de bekende legende lieten de Lumières met hun 'L’arrivée d’un train en gare de la Ciotat' (1896) het publiek gillend de zaal uitlopen – in de waan dat er echt een trein op hen afreed. De eerste publieke filmvertoning vond plaats op 28 december 1895, nadat Auguste en Louis Lumière een tiental films afwerkten, van elk ongeveer één minuut. En ook al was het publiek niet groter dan het aantal films, het medium film was geboren.

 


'L'arrivée d'un train en gare de la Ciotat'

 

De eerste films waren per definitie documentaires. Beelden van het alledaagse, met niet enkel treinen die aankomen in het station, maar tevens werkers die vertrekken uit de fabriek ('La Sortie de l’Usine Lumière à Lyon'). Ook de eerste komedie dateert van de Lumières eerste filmvertoning: een fragment van veertig seconden over een man die een tuinslang in zijn gezicht krijgt. 'L’arroseur Arrosé' (1985), ’s werelds eerste slapstick.

Ook razend populair waren verfilmingen van bokswedstrijden: een ronde in zo’n wedstrijd duurt ongeveer één minuut, wat perfect is voor een film van dezelfde lengte. Zo werd ook de cliffhanger in het leven geroepen, want wie wilde weten hoe de wedstrijd eindigde, moest de volgende film in de reeks kijken. Het genre van de boksfilm leidde tot bizarre parodieën, zoals 'Edisons Boxing Cats' (jaja, de eerste kattenvideo, reeds in 1894!).

 

De groei van de kortfilm: de fantasiewereld van Georges Melies

Over het algemeen hadden de eerste films niet veel inhoud, maar dienden ze eerder als experiment, als showcase voor de nieuwe technologie en gewoon om de aandacht van het publiek te trekken. En dat lukte ook: in de periode tussen 1896-1906 werden er duizenden korte films gemaakt over heel de wereld, waarin geleidelijk aan meer aandacht werd besteed aan het narratieve aspect.

In deze periode groeiden de films ook in lengte, van één minuut tot 10 à 15 minuten (zogenaamde one-reelers). Een belangrijke naam in deze wereld was de regisseur/goochelaar George Méliès. Die toverde in twee decennia meer dan vijfhonderd films op het scherm en was grensverleggend op vlak van montage, special effects en narratieve logica van de film. Zijn 'Voyage dans la lune' (1902), waarbij astronauten met een kanon naar de maan geschoten worden (iets wat men ooit écht overwogen heeft), is één van de eerste films die een verhaal laat uitspelen over verschillende scènes en tevens één van de eerste films die animatie gebruikt.

 


'Voyage dans la lune'

 

Méliès is bij uitstek dé naam die wordt opgegooid als uitvinder van de montage/fantasie en zijn films en persoonlijkheid spreken tot op de dag vandaag tot de verbeelding van filmmakers en -liefhebbers. 'Voyage dans la lune' werd vorig jaar zelfs nog eens uitgebracht in de bioscoop - gerestaureerd en in kleur. Tenslotte verfilmde niemand minder dan Martin Scorsese het leven van Méliès in 'Hugo', goed voor elf Oscarnominaties én vijf effectieve Oscarbeeldjes (waaronder beste visuele effecten).
 

Concurrentie van de langspeelfilm

Een nieuwe eeuw. Met de opkomst van de multiple reels in de jaren ’10, die langere films mogelijk maakten, zien we dat er voor het eerst een onderscheid werd gemaakt tussen feature films, met de urenlange, epische films van D.W. Griffith als belangrijkste vroege voorbeelden, en short subjects. Features werden de nieuwe standaard van de filmindustrie en de kortfilm werd gedegradeerd tot voor- of naprogramma van de langspeelfilm (wat niet wegnam dat ze razend populair waren).

In de roaring twenties geraakte de kortfilmproductie in overdrive bij de grote filmstudio’s, waardoor het voor onafhankelijke kortfilmproducenten haast onmogelijk werd om nog commerciële successen te boeken. Studioregisseurs werden aangespoord om kortfilms te maken als oefening voor langspeelfilms. De belangrijkste genres die in deze periode aan de lopende band werden geproduceerd waren slapstick en musical shorts (videoclips avant la lettre waarbij een zanger(es) voor een statische camera bekende liedjes zingt).

 

De Comedy Shorts: omvallen van het lachen

Omdat de feature films van D.W. Griffith en anderen nauwelijks luchtig te noemen waren (burgeroorlogen, de Ku Klux Klan, massamoord,…), was er grote vraag naar korte entertainende films om het avondprogramma van bioscopen (die als paddenstoelen uit de grond schoten) op te vrolijken. De geluidsfilm was nog niet geboren, dus moest men voornamelijk terugvallen op visuele en fysieke humor: korte grappen waarin het hoofdpersonage een boel fysiek leed ondergaat om het hart van een vrouw te veroveren.

Hierbij werden, voor die tijd, adembenemende en levensgevaarlijke stunts uitgevoerd, vaak door de acteurs zelf. Dit waren de belangrijkste troeven van de comedy shorts. De bekendste namen waren uiteraard Charlie Chaplin en Buster Keaton, die later allebei overstapten op langspeelfilms. Hoewel het slapstick genre vandaag de dag geen al te beste reputatie heeft, moet wel opgemerkt worden dat vooral de films van Chaplin doordrongen waren van intelligente sociale commentaar op gevoelige thema’s. Zo kaart hij bijvoorbeeld de problematiek van immigratie aan in 'The Immigrant' (1917). 

 

Experimentele cinema in de jaren '20-'30

In de jaren die daarop volgden, begon de kortfilm aan belang te verliezen. De opkomst van de double-bills, waarbij een tweede langspeelfilm de plaats van de kortfilm innam om het programma op te vullen, zorgde ervoor dat het commerciële succes van kortfilms drastisch afnam. Mensen kochten één ticket en kregen voor die prijs twee films te zien. Géén voorfilm (kortfilm) meer, maar een film van iets twijfelachtigere reputatie/naam – de B-Film. De B-Film droeg sterk bij tot het financiële succes van de studio's en was ook de motor achter het fenomeen van de cultfilm. Ook vandaag nog worden vooral oude horrorfilms van bedenkelijke kwaliteit getoond in bepaalde bioscopen.

Kortfilms kwamen door de B-film in de marge van de filmindustrie terecht en werden daardoor het geliefde medium van de avant-garde. Voor het eerst komt er een echte wisselwerking tussen kunst en film, met gevolgen voor de hele geschiedenis van de cinema. De belangrijkste eerste impuls voor experimentele film kwam uit Frankrijk, onder invloed van grote namen in de kunst als Francis Picabia, Marcel Duchamp en Man Ray. Het surrealisme en dadaïsme waren de belangrijkste invloeden op de vroege experimentele cinema. Tegelijkertijd begonnen ook op andere plekken in Europa filmmakers hun traditioneel narratief aan de haak te hangen (Buñuel in Spanje, Hans Richter in Duitsland, Dziga Vertov in Rusland). In de Verenigde Staten duurde het langer voor de experimentele film echt kon doorbreken, voornamelijk omdat er geen cultuur van samenwerking was tussen filmmakers en andere kunstenaars, zoals dat in Europa wel het geval was.

 


'Un Chien Andalou'

 

Dé bekendste avant-garde film is het felgeciteerde 'Un chien andalou' (1929) van Salvador Dali en Luis Buñuel, met de ene memorabele scène (mieren die uit een hand kruipen!) na de andere (een oogbal die wordt opengeschoren!). Vanzelfsprekend was niet iedereen klaar voor zulke taferelen. Censuur was dan ook één van de grootste uitdagingen voor regisseurs als Buñuel, onder het regime van een dictator.

Tot op de dag van vandaag worden bekende experimentele filmmakers (zo bijvoorbeeld David Lynch in 'Eraserhead') beïnvloed door de vroege films van avant-garde pioniers als René Clair, Man Ray en de Belgische Charles Dekeukeleire. Hun films worden nog steeds vertoond in gespecialiseerde arthouses.

 

De jaren '50: ontstaan van de moderne kortfilm

Onder meer dankzij de invloed van de Franse Nouvelle Vague en de auteurtheorie (die het belang van de auteur als individu onderschrijft), wordt het genre van de kortfilm vanaf de jaren ’50 terug opgewaardeerd. Het einde van de comedy shorts van de grote studio’s betekende ook het einde van de anonieme kortfilms. Voortaan zetten regisseurs hun naam op hun werk en zo werd de kortfilm voor het eerst het visitekaartje van een regisseur in plaats van een studio.

Kortfilms werden ook weer vaker geprogrammeerd in bioscopen als voorprogramma. Het werd hét platform bij uitstek voor studenten en aanstormend talent om hun kunnen te tonen. Eén van de eerste voorbeelden in deze nieuwe traditie is Roman Polanski’s studentenfilm 'Two men and a wardrobe', uit 1958.

In de sixties werd de tendens voortgezet, met een indrukwekkende lichting regisseurs en kortfilms, waaronder David Lynch’s 'The Alphabet' (1968) en George Lucas met 'Electronic Labyrinth THX1138.4EB' (1967, het begin van Lucas’ sci-fi-carrière). Martin Scorcese lanceerde zijn carrière met 'The Big Shave' (1967), waarin een alledaagse activiteit als scheren de basis vormt voor een anti-oorlogse horrorfilm. Hoewel Scorsese vandaag vooral in de spotlight staat met kleppers als 'The Departed' en 'The Wolf of Wall Street', is ook deze parel recent nog te zien geweest op de world soundtrack awards van het Gents Filmfestival 2013. De film werd live begeleid door het Brussels Philharmonic, met een winnende score van Gilles Alonzo.

 


'Two men and a wardrobe'

 

 

De "dark ages" van de kortfilm

Ondanks deze creatieve groeispurt raakte kortfilm steeds meer in de vergetelheid. De herintrede van de kortfilm in de bioscoop was kortstondig, want vanaf 1970 werd deze grotendeels vervangen door reclame als voorprogramma. Hierdoor was het laatste belangrijke platform voor de vertoning van kortfilms weggevallen. Dat leidde dan weer wel tot een boom in schitterende reclamespots, geregisseerd door grote namen uit de filmwereld (een horrorfilmpje van David Lynch over afval in New York? Graag!).

Televisie sloeg er niet in om kortfilm een vaste plek op het kleine scherm te geven, maar werd omwille van de korte lengte van tv-programma’s net haar grootste concurrent. Ook filmfestivals waren nog niet op het punt gekomen om kortfilms op te nemen in de programmatie.

Dit alles zorgde ervoor dat de zichtbaarheid van kortfilm bijna nihil was voor het grote publiek. Ook al werden kortfilms gemaakt bij de vleet, niemand kreeg ze nog te zien. Het was wachten op de komst van het digitale tijdperk voor daar echt verandering in zou komen..

[Naar Mieke Meskens, "Een exploratieve studie naar het productielandschap van de korte fictiefilm in Vlaanderen, 2013"]

Coverfoto: 'The Big Shave' (Martin Scorsese)