Nathalie Teirlinck maakte als student de experimentele film Anémone, die niet alleen werd uitgeroepen tot beste Vlaamse studentenwerk op het Filmfestival Gent maar ook de juryprijs kreeg op het IKL. De kers op de taart volgde bij haar afstuderen: eindwerk Juliette getuigde van evenveel persoonlijkheid en kreeg een Wildcard. Ondertussen heeft Nathalie Venus vs. Me klaar. Even polsen: gaat ze verder op het ingeslagen pad, perfectioneerde ze haar heel eigen stijl?
NT: Een stijl vinden is een zoektocht die nooit stopt, denk ik. Maar voor mij was Anémone wel een heel belangrijk beginpunt. Een kleine Aha-Erlebnis, een opening richting die zoektocht naar een manier om vorm te geven aan wat ik wou vertellen. Ik merkte dat ik op zoek wou naar het onvertelbare, naar wat woelt en wroet onder het schijnbaar rustige oppervlak. En dat wil ik nog altijd. Het is moeilijk om zoiets op papier te krijgen, ik krijg dan ook vaak de opmerking dat ik ongelooflijk veel neerschrijf in mijn scenario’s. Maar het lijkt me de enige manier. Ik wil zo puur mogelijk communiceren over wat ik wil neerzetten bij de opnames, wanneer alles plots moet gebeuren. Weet je wat voor mij dan ook de ironie van een scenario is? Als ik het kon neerschrijven, dan zou ik het nooit verfilmen. Net daarin ligt de uitdaging: die ene manier vinden waarop je wel moét vertellen, die specifieke opeenvolging van beelden, die ene stilte op exact het juiste moment. Dat zoekproces is heel intens. Na Anémone heb ik het verdergezet met Juliette en nu ook met mijn nieuwe film.
Dat is je Wildcard-project, Venus vs. Me.
NT: Mijn vorige films waren erg gefocust op de gevoelswereld van één personage. Er was altijd een soort stream of consciousness, een blik in een gedachtewereld en de vraag hoe die zo zuiver mogelijk te vertalen in een medium als film. Bij Venus vs. Me is dat nog altijd erg belangrijk, maar ik probeer het verder open te breken. Er is een narratieve basis, van daaruit ontspringen gedachten en dan keer ik weer terug naar de concretere realiteit.
Kan je al iets vertellen over het basisverhaal?
Mijn film draait om een elfjarige zwemster, Marie. Zij vecht met haar veranderende lichaam, met opgroeien, met het verlangen om 'iemand' te zijn. Dat ‘iemand zijn’ bestaat voor Marie enkel in de perceptie van iemand anders. Ze heeft dus haar erg jonge moeder Lara nodig om zichzelf te kunnen vormen en veroveren, om zich te spiegelen en om haar gerust te stellen. Zo stoot ze Lara af maar trekt haar ook aan. Marie zoekt wanhopig naar een manier om te communiceren. Tevergeefs.
Wie was je coach?
NT: Patrice Toye. Toen ik het woord ‘coach’ hoorde vallen, was zij de eerste waar ik aan dacht. Maar bij ons eerste contact was ze heel duidelijk: "Ik moet het wel voelen, je scenario moet me liggen, anders kan ik het niet doen". Dat typeert Patrice en dat apprecieer ik ook zo aan haar. Het is klaar en duidelijk, alles of niks. De samenwerking was absoluut niet zo'n afgelijnde meester-leerlingverhouding, gelukkig maar. Zelf blijft ze er graag bescheiden over, maar Patrice was voor mij echt een heel fijne coach. Dat is ze nog altijd. Een goede mentor, die niet pretendeert dé waarheid in pacht te hebben, die je inhoudelijk helpt, je gedachtekronkels ordent en triggert. En je net iets verder pusht dan je zelf misschien zou durven te gaan. Uiteindelijk moet je bij een coach ook plots, op korte tijd, je kwetsbaarheden en onzekerheden durven te tonen. Dat kan alleen maar als er een groot vertrouwen is en wederzijds respect.
Los van budget of beschikbaarheid, wie zou je ultieme coach zijn?
NT: Het liefst van al zou ik een explosieve cocktail brouwen met allerlei beetjes en stukjes van verschillende filmmakers die me om de een of andere reden mateloos kunnen raken. Ozon voor het poëtisch en fijngevoelig psychologisch realisme, Haneke voor zijn ongelooflijke inzicht in het irrationele, in de diepmenselijke geest. Iñárittu voor het zoeken naar narratieve structuren, Carax voor de ruwe fragiliteit in zijn beeldtaal ... en zo kan ik nog wel even doorgaan (lacht). De filmmaker die al die elementen perfect beheerst mag onmiddellijk opstaan. Ik ben nu al een fan.
Wat boeit je zo aan Leos Carax’ beeldtaal?
NT: Ik ben de laatste tijd erg gefascineerd door zijn films. Vooral ‘Mauvais Sang’ vind ik ontroerend mooi. Carax is niet per se een klassieke grootmeester, maar ik vind zijn filmisch aanvoelen heel frappant. Je voelt hoe hij zoekt, hoe hij zwoegt en vecht met alle filmische aspecten. Daardoor hebben zijn films ook iets heel compositorisch, hij hecht groot belang aan muziek, beeld en geluid als evenwaardige elementen. Ik hou ook erg van de intertekstualiteit in zijn werk en het durven spelen met lekker veel lagen, niet alleen referenties naar muziek, literatuur en film maar zelfs ook op persoonlijker, autobiografisch niveau. Dat vind ik straf.
Zelf werk je voor de muziek van je films vaak met Peter Van Laerhoven, die ook werkte op de films van Fien Troch.
NT: Muziek vind ik een moeilijk element om te integreren. Het is heel fragiel, heel snel erop of eronder. Met Peter werk ik omwille van zijn productieve voorzichtigheid om de film niet te willen platgooien, onderstrepen of vervlakken. Muziek werkt ergens als geluid: het dirigeert emoties in een bepaalde richting. Daar moet je heel zorgvuldig mee omspringen. Ik houd er ook nogal van als de muziek en het geluid in elkaar vloeien, als er geen duidelijk onderscheid meer bestaat en het geheel bij de kijker puur op het onderbewuste begint in te werken. Die momenten in de montage zijn voor mij echt kicken: prutsen en wroeten tot dan plots alles samenvalt in die ene fractie van een seconde.
Misschien wel daarom dat de acteurs in je films soms dansers lijken.
NT: Dat vind ik een mooie vergelijking, want ik betrap mezelf er vaak op dat ik focus op beweging. Binnen een beeldkader, maar ook binnen de opeenvolging van de shots. Ik denk op de set ook heel hard na vanuit montage in beeld en geluid. Mijn regie vertrekt ook een deel van daaruit, dus ik vind het aartsmoeilijk om niet zelf te monteren. Montage is voor mij een deel van het regisseren: je maakt een choreografie, een compositie die vertrekt van uit een buikgevoel. Een doordrongen intuïtie die heel moeilijk te communiceren valt. Met mijn nieuwe film heb ik nu wel die stap gezet en ik ervaar hoe moeilijk het is dat los te laten.
Wie zat voor Venus vs. Me dan aan de montagetafel?
NT: Dieter Diependaele monteert. Het is een hele intense montage, een echt zoekproces zowel voor Dieter als mezelf. Of Patrice Toye ook meekijkt? Ze houdt zich nog even op de achtergrond, maar ze komt binnenkort zeker wel even kijken.
Ondertussen werk je ook aan een soort filmtheater?
NT: Ja, ‘Send all your Horses’, een interdisciplinaire voorstelling die Esther Lybeert van de band Mrs. Hyde en ikzelf maken in samenwerking met De Kopergietery in Gent en twee vzw’s, Tstatt en Manitoba. In de voorstelling gaan beeld, sounddesign en muziek hand in hand. Er is zelfs live bruitage. Al die media zijn continu in interactie met elkaar. Het ene kan niet zonder het andere. We proberen constant die grens op te zoeken, dus de voorstelling gaat absoluut verder dan enkel een film met live muziek. Het geheel wordt eigenlijk meer een soort ervaringstheater waarbij ogen en oren continu worden gedirigeerd van het podium naar het scherm.
Door omstandigheden loopt de productie van Send All Your Horses even parallel doorheen de montage van ‘Venus vs. Me’. Het is de voorbije maanden dus heel intens geweest. Maar ik vind het wel absoluut boeiend en belangrijk om de materie van het medium film open te trekken naar andere platformen, even uit die cocon te kruipen en de grenzen af te tasten. Boeiend ook om te zien hoe alles verschilt: de ervaringen van het publiek, de ruimte en vooral het momentane aspect van een "voorstelling" die nooit twee keer helemaal hetzelfde kan zijn –dat spreekt me allemaal erg aan.
|