Interview - Valentina Maurel ('Paul est là')

De Costa Ricaanse Valentina Maurel woont ondertussen al acht jaar in Brussel. Aan het INSAS studeerde ze af met de masterfilm ‘Paul èst la’. Haar film werd opgenomen in de studentencompetitie in Cannes en won er de Eerste Prijs, goed voor een geldsom van €15000,- en een verzekerde première op het festival voor Maurels langspeeldebuut. “Hopelijk wordt het nu eenvoudiger om mijn volgende film te financieren.”
 

***

Je afstudeerfilm in Cannes. Iets anders dan een grote verrassing kan ik me niet voorstellen?
MAUREL: Inderdaad, een héle grote verrassing. Ik had mijn film ingezonden naar Cannes om twee redenen. Natuurlijk is Cannes een fantastisch festival, maar vooral omdat er geen inschrijvingskosten waren. (lacht) Ik had namelijk geen groot budget om de film naar veel festival in te sturen.
Paul est là werd eerder al vertoond in Costa Rica en in Portugal, daar kreeg de film een Speciale Vermelding. Normaal gezien vraagt Cannes heel strikt om een wereldpremière, maar binnen de Cinéfondation-selectie steekt dat minder nauw. Gelukkig maar, hoe kan je nu van een student verwachten dat die al zijn hoop inzet op Cannes?

Je woont nu acht jaar in Brussel, hoe ben je daar terecht gekomen?
MAUREL: Mijn vader is een Fransman. Toen ik negentien was, zijn we samen naar Parijs verhuisd. Maar daar vond ik het niet leuk.

Hoe kan je Parijs nu niét leuk vinden?
MAUREL: Ik hou van de stad, maar het is er zó duur. De universiteit waaraan ik ‘cinema’ studeerde was bovendien zeer theoretisch. Het kriebelde heel erg om een camera vast te nemen. In Frankrijk hebben alle filmscholen een ingangsexamen, maar dat schrok me serieus af. Daarom ben ik naar Brussel verhuisd en heb ik drie jaar aan het INRACI (HELB) gestudeerd - een erg technische opleiding. Daarna ben ik de master aan het INSAS gaan doen; toen was ik oud en moedig genoeg om die ingangsexamens aan te kunnen. (lacht)

Schrok de filmtheorie je af?
MAUREL: Ik wou vooral creatief bezig zijn. Ook vandaag nog ben ik niet echt theoretisch aangelegd. Ik kom uit een kunstenaarsgezin, daarin ben ik dus niet echt origineel. Mijn creativiteit komt niet voort uit één of andere rebellie. Mijn vader is een schilder, mijn moeder een actrice. Die twee werelden hebben me erg snel beïnvloed.

Je vindt Brussel dus aangenamer dan Parijs.
MAUREL: Eerst vond ik niks aan Brussel. Het heeft me best veel tijd gekost om de stad te omarmen. De winter vond ik in Parijs al verschrikkelijk, maar in Brussel is bovendien alles ook nog eens zo grijs – nog erger! Na enkele jaren, of toch in mijn geval, openbaart Brussel zich voor jou. Die openbaring vind ik erg mooi. Je moet er aan wennen en de nodige stadsgeheimen ontdekken. Ik woon er nu heel graag.

In ‘Paul est là’ checkt Jeanne, het hoofdpersonage, regelmatig of ze stinkt. Haar mannelijke tegenpartij heeft net zijn haar gekleurd. Vanwaar die aandacht voor het uiterlijke?
MAUREL: Ik wou mijn personages op een zo menselijk mogelijke manier tonen; hun imperfecties benadrukken die ze voor anderen het liefst willen verbergen. Het zijn van die kleine dingen die je bang maken voor de rest van de wereld; dingen waarvan je denkt dat mensen je niet zullen moeten hebben. Wanneer je stinkt bijvoorbeeld, of grijs haar begint te krijgen. Maar uiteindelijk moet je wel met je was naar het wassalon, net als iedereen van de straat. Dat is een beetje de moraal.

Liggen die personages dicht bij jou?
MAUREL: Op een bepaalde manier zijn de personages erg persoonlijk. Al denk ik dat het vooral te maken heeft met een soort van meer universele relatie tussen een jong mens en de volwassen wereld. Het gaat om een soort confrontatie tussen een bepaald idealisme en de pure realiteit. Je gaat er vanuit dat volwassenen je beïnvloeden om een beter persoon te worden, dat ze je helpen om te groeien. Maar net die volwassenen zijn eigenlijk de meest breekbare personen; ook zij wachten om geholpen te worden. Beiden rollen zijn erg fluïde en fragiel.

Hoe is jouw relatie met jouw ouders?
MAUREL: Erg goed. Soms lijkt de band die ik heb met mijn vader voor buitenstaanders té ‘close’. We zijn echt hele goede vrienden, we zitten vaak samen zat op café. Ik ben dan ook opgegroeid in een erg open gezin. Sommige van mijn ooms zijn erg punk. Na een tijd dacht ik dan ook dat dat normaal was.
Mijn ouders zijn gescheiden toen ik twaalf was. Het is vanaf dan dat ik hen als breekbare mensen ben gaan zien. Als puber is dat een grote revelatie.

Hoe bepalend is zo'n scheiding voor een kind?
MAUREL: Je wordt sneller geconfronteerd met de realiteit. Je hebt sneller door hoe complex, hoe onstabiel, hoe week het leven is. Die gewaarwording krijg je doorgaans pas rond je twintigste. Na zo’n scheiding val je minder hoog dan anderen, want je bent eerder al eens gevallen. Misschien sta je ook meer sceptisch tegenover liefde en de toekomst. Ik denk dat dat goed is. Mijn ouders hebben de fout gemaakt om te hard in liefde te geloven. Nu ben ik automatisch meer op mijn hoede.

 


Still uit Paul est là (dir. Valentina Maurel)

 

Je kiest voor een erg specifieke stijl in je film. Is dat iets dat gegroeid is uit je vorig werk?
MAUREL: Mijn vorige films zien er inderdaad gelijkaardig uit en gaan ook over familiebanden. Maar die films heb ik zo goed als mogelijk in verschillende lades van mijn bureau proberen te verstoppen; daar denk ik liever niet meer over na. (lacht)
Toen ik Europa ben komen wonen, trok de stijl in Europese films me erg aan. Mensen zeggen soms dat mijn film hen doet denken aan Aki Kaurismäki, terwijl ik tijdens het draaien nooit aan zijn werk heb gedacht. Misschien is het een resultaat van hoe ik naar Europese cinema kijk.
Het volgende dat ik wil doen is terugkeren naar Costa Rica en daar een film maken, om te zien hoeveel van de stijl er overeind blijft. Alles is nu heel klinisch, optimistisch. Zo van die vage rozen tegen de muur, dat is erg Europees voor mij. Soms denk ik dat ik een heel groot Europees cliché heb gemaakt met mijn film.

Dus na acht jaar zie je jezelf nog niet als Europeaan.
MAUREL: Ik vind het leuk om te wisselen. Ik ben zeker en vast een Europeaan, maar ik ben ook een Midden-Amerikaanse. Bij mijn volgende film probeer ik nog eens een Costa Ricaanse filmmaker te zijn.

Had je eerder al samen gewerkt met je acteurs?
MAUREL: Ik kende geen van beide. Sarah Lefevre (de hoofdactrice, nvdr) zag ik in een videoclip. Ik vond dat ze een heel interessant gezicht had, ze deed me denken aan een actrice uit een Kaurismäki-film. Dan toch! Op de casting had ik besloten om de moeilijkste scène te doen. Een brutale keuze misschien, maar het was belangrijk dat we meteen het juiste ritme vonden. Sarah had het ritme dat ik wou. Ze nam de tijd die ze nodig had.
Bart Cambier is een echte punk, niet echt een acteur. Hij reist heel veel rond. Hij heeft tien jaar paarden gefokt in Costa Rica. We hadden meteen een band. (lacht)

De man praat soms ook Vlaams in je film.
MAUREL: Klopt. Ik heb bewust voor een Vlaamstalige man en een Waalse/Brusselse vrouw gekozen. De film speelt zich af in België, dus zoiets is perfect mogelijk.
Ik vergelijk de situatie in België soms ook met hoe inwoners van Costa Rica zich voelen. Het is een erg klein land in Latijns-Amerika: veel inwoners hebben het gevoel dat ze niet echt een eigen identiteit hebben. Ze zitten ergens tussenin, net zoals de Belgen. Ik vind dat een erg bijzonder gegeven.

 


Valentina Maurel samen met de andere laureaten van de Cinéfondation-selectie in Cannes.

 

Heb je in Cannes al tijd om na te denken over je volgende film?
MAUREL: Ik ben gecontacteerd door enkele producers. Nu is het aan mij om het waar te maken. Hopelijk wordt het nu makkelijker om mijn volgende film te financieren.
Ik ben aan het schrijven, al heb ik daar in Cannes uiteraard helemaal geen tijd voor gehad. Dit festival vreet aan je energie. Wanneer ik terug arm in Brussel zit en pasta aan het eten ben: dan schrijf ik verder. Daarna weet ik of het opnieuw een kortfilm of toch een langspeelfilm zal worden.

Heb je nog iets anders nodig dan pasta om te kunnen schrijven?
MAUREL: Ik schrijf alleen ’s nachts, want dan ben ik helderder. Ik denk nogal kinetisch, dus ik moet ook vooral veel kunnen wandelen. Mijn lief vindt dat niet fijn, dus daarom ben ik best alleen thuis.

Waarom denk je dat er zoveel vrouwelijke filmregisseurs zijn die straffe kortfilms maken, maar daarna verdwijnen zodra het over langspeelfilms gaat?
MAUREL: De filmindustrie is sowieso heel moeilijk om een carrière in op te bouwen. Het vraagt zóveel van je. Ik ben nu bijna dertig en ik heb net een eerste kortfilm af. Het moment dat ik aan een langspeler zou durven denken is tegelijk misschien het moment dat ik aan kinderen zou beginnen. Cinema eet je op; de combinatie met een gezin lijkt me dodelijk.
Cultureel gezien worden vrouwen misschien minder gesteund om hun persoonlijke leven op het spel te zetten voor een carrière? Ik weet het niet. Ik heb het antwoord niet. Maar ik kan me voorstellen dat dat misschien mijn probleem wordt naar de toekomst toe. Laten we hopen van niet, we zullen zien.

***

 

Niels Putman