Interview - Laura Vandewynckel ('Pharmakos', 'Het Paradijs')


Foto © Astrid Bultijnck.

 

"Mijn films vertrekken nogal snel van een soort ‘zelf-ironisch’ gewetensonderzoek."
- Laura Vandewynckel.

 

Met haar afstudeerfilm Het Paradijs schopte Laura Vandewynckel (°1986) het in 2014 meteen tot in Cannes. In eigen land leverde diezelfde kortfilm haar de SABAM-prijs van Anima op én een Wildcard van het Vlaams Audiovisueel Fonds. Sindsdien is ze druk bezig met nieuwe films en crossover-projecten.

***

Jij bent geen inside-the-box animator.
VANDEWYNCKEL: Nee, ik vind het net fijn om een beetje buiten animatie te werken. Als ik kan samenwerken met mensen uit andere disciplines, dan grijp ik die kans. Hybride projecten kunnen zo sterk zijn. En het ligt me gewoon meer - dat merkte ik al tijdens mijn opleiding.

Welke studies heb je gedaan?
VANDEWYNCKEL: Ik heb eerst Germaanse Talen gestudeerd en daarna Dramatische Kunsten aan het RITCS. Ik speel graag, maar je botst erg op je eigen grenzen. In theater moet je kunnen loslaten en ik was nogal een controlefreak. Na drie jaar dramaopleiding ben ik overgestapt naar de animatieafdeling van het RITCS. Dat bleek beter bij me te passen: als animatiefilmmaker heb je je eigen creatie iets meer onder controle. De spanning loopt niet extreem op naar een premièremoment, elke animatiedag is spannend. Zoveel jaar later ben ik theater als vorm echter weer aan het opzoeken en in de combinatie poppenspel en theater valt nog heel veel te ontdekken.

Wat maakt je – naast die controle – een goede animator?
VANDEWYNCKEL: Aandacht voor details komt heel natuurlijk voor mij. Ik heb deadlines nodig, anders verlies ik me in die details en blijf ik exploreren. Na mijn studies liep ik een paar maanden stage bij Beast Animation (productiehuis achter topfilms zoals Panique au Village & Oh, Willy… - nvdr), om praktijkervaring op te doen. Ik maakte massa’s rekwisieten, van mini-hondenspeelgoed tot serviesjes toe, met de hand. Heel tof, maar ook leerrijk. Time is money in zo’n studio. Je moet op het einde van de dag je aantal stuks halen. Er is gewoon geen tijd om te blijven schaven. En dan merk je dat zo’n beperking in de tijd niet betekent dat je je fantasie niet kan laten werken, integendeel.

Bereiden onze animatie-opleidingen je goed voor?
VANDEWYNCKEL: Op school worden we in de eerste plek als all-round animatiekunstenaars opgeleid. Over de zakelijke aspecten van het filmmaken, de realiteit van de werkvloer, daar wordt op de scholen weinig over meegegeven. Natuurlijk is de vraag naar uitvoerende en gespecialiseerde animatietalenten erg groot. De scholen moeten de studenten zeker blijven triggeren op inhoudelijk en vormelijk verdiepend artistiek vlak. Zonder goede makers hebben studio’s geen bestaansreden. Animatie is in de eerste plaats nog altijd een artistieke vorm.

Anderzijds denk ik wel dat de studenten in een bepaald stadium van de opleiding voor zichzelf zouden moeten uitmaken of ze vooral ambiëren om te regisseren en te maken of eerder denken aan animatie, cleaning, lay-outing, compositing, CGI, 2D, stopmotion… - werk in een studio. Die tweede groep studenten zou erg gebaat zijn bij het volgen van stages. Niet elke student haalt veel uit het zelfstandig maken van een afstudeerfilm, van a tot z. Sommigen voelen zich er beter bij om één onderdeel van het proces heel goed te doen. Op scholen wordt teamwerk vaak nog onderschat.

Waar sta jij nu in je parcours?
VANDEWYNCKEL: Nu ik een beetje verder sta als filmmaker, kan ik wel zeggen dat de combinatie van theater en animatie het summum blijft. In januari van dit jaar heb ik meegewerkt aan een voorstelling in het Kaaitheater rond desertie. ‘Say no!’ onder regie van Jan Vromman. Ook Nienke Deutz en Jasper Flikschuh waren daar heel nauw bij betrokken. Een live performance met miniatuur-poppen, koorzangen door het Brusselse Brecht-Eislerkoor en muziek van Dick van der Harst. Dat smaakt naar meer. Animatie met een live dimensie, dat is echt wat ik graag doe.

Geldt dat multidisciplinaire ook voor het project waar je nu mee bezig bent?
VANDEWYNCKEL: Absoluut. Ik ben nu online formulieren aan het invullen om de film in te schrijven in festivals maar bij het onderdeeltje “genre” slaat het tilt. Animatiefilm? Fictiefilm? Documentaire? Theater? Performance?

Vertel.
VANDEWYNCKEL: Ik heb vorig jaar een nieuwe kortfilm opgenomen: Pharmakos. Dit project was een prijs die de Cinéfondation van Cannes uitreikt aan één van haar geselecteerden. De film is opgenomen op vijf dagen tijd, op het Griekse eiland Sifnos. Het is geen animatiefilm zoals Het Paradijs, maar er komen wel poppen bij kijken. Twee poppen, zo groot als volwassen mensen, heb ik in stukken, verdeeld over vier valiezen naar Griekenland getransporteerd. Dat zag er ongetwijfeld gek uit op de scanner in de luchthaven, zeker omdat we ook nog een elektrisch vleesmes bij ons droegen. Er ging helaas één valies verloren, die met de armen, dus dat hebben we ter plaatse nog moeten remediëren.

De poppen worden bunraku-gewijs bediend door twee gecamoufleerde acteurs: ikzelf en Nienke Deutz. We hadden verschillende outfits telkens met bijhorend bivakmuts: een witte om niet op te vallen tussen Griekse witte huizen, eentje met steenlandschapskleuren, een zwarte en een outfit met een blauwe muts, voor de scènes waarin onze hoofden boven de horizon uitpiepen. Het feit dat we de poppen live action-gewijs hebben ingezet, vond ik geweldig. Wat een zonde zou het zijn geweest om daar in het prachtige en zonnige Sifnos in een donkere studio te kruipen en een frame-per-frame animatiefilm te draaien.

 


Achter de schermen bij Vandewynckels (rechts op onderste foto) nieuwste kortfilm Pharmakos.

 

Waar gaat de film over?
VANDEWYNCKEL: ‘Pharmakos’ is de naam van een ritueel dat in het Oude Griekenland werd uitgevoerd tijdens het Thargelia-festival of in tijden van hongersnood of oorlog. De gemeenschap selecteerde twee mannen - vaak outsiders - op wie het kwaad werd getransfereerd. Die werden vermoord om de gemeenschap te zuiveren. Pharmakos is afgeleid van het oud-Griekse “pharmako”, dat zowel “medicijn” als “vergif” betekent. Als je kijkt naar zondebokmechanismes is die dubbele betekenis heel relevant: voor het heil van de groep worden onschuldigen met een gemeenschappelijke last opgezadeld. Vroeger wees men letterlijk een zondebok aan en werd die persoon geofferd, gekeeld, gestenigd. Hoewel het niet meer die barbaarse veruiterlijking heeft, speelt dit mechanisme nog steeds. Weliswaar op een subtielere manier, maar dat is niet minder gevaarlijk. Carl Jung zei al dat de rituelen van vroeger onze ‘pathologieën’ van nu zijn geworden.

Ik ben meer gaan lezen over rituelen en de rol die ze spelen in onze samenleving. James Frazer, een Schotse, 19de-eeuwse antropoloog, verzamelde rituelen wereldwijd in zijn ‘The Golden Bough’. In onze samenleving zijn rituelen bijna helemaal verdwenen, maar de achterliggende mechanismes leven op psychologisch niveau onverminderd door. Rituelen lijken me net gezond en helend. Ze staan toe dat je de psychologische kwesties waar je mee worstelt kan visualiseren en concreet kan maken. Door dat te doen, door er op die manier afstand van te nemen, kan je er net over reflecteren. Dat is precies wat ik wou onderzoeken in Griekenland. Ik wou dat oude Pharmakos-ritueel oprakelen en het mechanisme erachter zichtbaar maken, door middel van een reenactment. De performance werd een aanleiding tot boeiende discussies rond migratie, Europese politiek, maar ook persoonlijke verwerking. Vragen die blijven hangen zijn dan: hebben we opnieuw rituelen nodig? Kunnen films en theaterstukken die rol voor een stuk overnemen?

Hoe was het om in het buitenland te filmen?
VANDEWYNCKEL: Interessant, confronterend. Wat hier evident is, wordt plots on-evident. Wat ik hier als vanzelfsprekend beschouw - het gemak te leven, te werken, te mijmeren - is het daar allerminst. Het is belangrijk om jezelf en je eigen positie te blijven bevragen. Het is cruciaal om je empathisch vermogen wakker te houden. Het is soms erg gemakkelijk om vanuit luilekkerland België te filosoferen over zondebokreflexen en rechtschapenheid te bejubelen. Maar ik vraag me soms af of ethiek een luxe bekommernis is.

Bij zo’n buitenlandse shoot is je team ook heel belangrijk.
VANDEWYNCKEL: Dat is zo. Ik vond het super om deze film met een team te maken. Je wordt verplicht om de controle los te laten. Maar het levert zoveel meer op, het is zoveel leuker, rijker en meer memorabel dan wanneer je alleen werkt. Je houdt rekening met andere mensen – zowel met hun agenda als met hun standpunten. En net daardoor word je uitgedaagd om je idee te formuleren en te herformuleren, en dankzij die dialoog stel je ook voor jezelf veel scherper wat je wil vertellen en waarom. Goeie dingen maak je in team. En mijn team in Griekenland was geweldig.

Welke rol speel jij in dat team? Wat is jouw grootste talent?
VANDEWYNCKEL: Mijn kracht en tegelijkertijd mijn handicap is dat ik een doorbijter ben, ook als het al lang verloren is. En ik kan lachen. Fantasie, humor, gekkigheid. Hoe zwaar de dingen ook zijn – en dat probeer ik ook in mijn films te steken – je maakt ze draaglijk door ze met een lach te vertellen. Dan luisteren mensen ook beter. Als ik serieuze dingen zou gaan maken, dan zou dat niet marcheren. Ik zoek altijd het lichte, het gekke op. Ik ben een beetje een clown, op het ‘slapstickerige’ af.

 


Stills uit Het Paradijs (dir. Laura Vandewynckel)

 

Je kreeg ook een Wildcard van het VAF – welke richting heeft die je uitgestuurd?
VANDEWYNCKEL: Ik heb een fantastisch jaar achter de rug dankzij die Wildcard. Je krijgt een jaar de tijd om te zoeken, te experimenteren, te dromen, te leren en te kijken. Ik kijk bijna elke dag een film en ik heb veel gelezen, vooral non-fictie. Die research-fase is het summum. Moeilijker is om uit al dat materiaal iets te kiezen. Ik wil alles gebruiken terwijl je in een kortfilm echt moet vertrekken van één zuiver idee. Uiteindelijk moet je 99% aan de kant gooien, en één heldere pagina overhouden. Het heeft wel iets, hoor, puzzelen met je materiaal binnen die beperking.

Helpt het als iemand anders zijn licht er over laat schijnen?
VANDEWYNCKEL: Zeker. Er komt een moment waarop ik elke mogelijke piste heb uitgeprobeerd die ik op mijn eentje kan bedenken. En dan merk je: ik heb nu een frisse blik nodig, van iemand die zijn vak goed kent. Als je daar de juiste persoon voor vindt, levert dat heel fijne dingen op. De research-fase is best eenzaam – op de duur begin je hard te verlangen naar een collega.

Wat kan je al vertellen over het eindresultaat?
VANDEWYNCKEL: Het wordt een kortfilm over verantwoordelijkheid, met als werktitel The Cycle. Ik gebruik een soort Frankenstein-analogie, om aan te geven dat we allemaal onze eigen monsters creëren. Je eerste reactie is om problemen en demonen van je af te duwen, maar hoe meer je dat doet, hoe heftiger alles terug naar je toe komt. En minder smakelijk dan voordien.

Het scenario is intussen af. Geen eenvoudige opdracht, want ik wil een heel persoonlijke vertelling combineren met een maatschappelijk verhaal. Op dat hoger niveau geldt dat principe ook: hoe meer een maatschappij bepaalde problemen onder de mat veegt, hoe harder ze terugslaan. Ik wil er geen moraliserend verhaal van maken, maar wel de absurditeit van het mechanisme tonen. Als we onszelf en onze monsters niet in de ogen kijken of gaan koesteren, dan wordt de probleemcirkel vicieus.

De dynamiek van onze maatschappij blijft je boeien, ook na Het Paradijs.
VANDEWYNCKEL: Ja, ik start altijd met één hoofdpersonage en kom telkens weer uit bij “de groep”. Ik vind het heel interessant om te bestuderen hoe gemeenschappen werken. Hoe we omgaan met angst en met populistische leiders. Hoe we met heel veel gemak simplistische wereldvisies en zwart-witvoorstellingen tot de onze maken. Ik ben net aan het lezen in Hannah Arendts ‘Verantwoordelijkheid en oordeel’ en het lijkt alsof ik gewoon de actualiteit volg – zo relevant zijn haar theorieën. We lopen lachend verwonderd te doen over ‘gevaarlijke gekken’ als Trump. Maar het gevaar zit net in ons, wij die instemmen. We aanvaarden, alsof er geen alternatief voorhanden is. We draaien mee, als kleine onderdeeltjes in een problematisch raderwerk.

Wat lees je nog, naast Hannah Arendt?
VANDEWYNCKEL: Ik las een jaar geleden ‘La Peur des Barbares’ van Todorov en daarna ‘Welcome to the desert of the real’ van Zizek. Zizek leidde naar Agamben, Foucault, Sloterdijk, Assange, Arendt, Socrates. De ontdekking is pril. Bij Agamben bleef ik vooral plakken aan het idee van de ‘staat van uitzondering’. Wij denken dat we volwaardige burgers zijn die genieten van rechten. De wet beschermt ons zolang wij gehoorzamen. Die illusie is gevaarlijk. Een staat kan met veel gemak de regels veranderen – in het kader van terreur staat de wet op losse schroeven. Onder het mom van de ‘precautionary principle’ worden ‘verdachte burgers’ gebracht tot de status van wat Agamben aanduidt met ‘homo sacer’, het naakte leven, de mens beroofd van rechten. Het is alarmerend dat wij dit soort uitzonderingspraktijken moeiteloos slikken.

Interessante materie, maar niet eenvoudig om om te zetten naar film. Een theorie is één ding, maar een film moet concreet en actief zijn om goed te werken. Ik geniet heel erg van de zoektocht.

 


Laura Vandewynckel op de set van haar kortfilm Het Paradijs.

 

Je maakt duidelijk geëngageerde films. Is dat bij elk project belangrijk? Wil je het publiek iets meegeven?
VANDEWYNCKEL: Ik kan heel erg genieten van dingen die mij de realiteit even doen vergeten en die mooi zijn gewoon omdat ze mooi zijn. Verhalen over de liefde, vriendschap, persoonlijke relaties. Maar op dit moment heeft alles wat ik maak een politiek-sociale tint. Dat is geen bewuste keuze. Ik denk dat dat gewoon het gevolg is van een persoonlijk en dagelijks ongemak om te leven in de wereld zoals ze is vandaag - vooral een ongemak met mezelf, met het conflict tussen mijn ethische principes en mijn dagelijkse leven, in Brussel of op reis. Mijn films vertrekken nogal snel van een soort ‘zelf-ironisch’ gewetensonderzoek. En dan is er ook wat idealisme, misschien kan ik op mijn kleine manier wat vragen laten opborrelen bij het publiek. Ik kijk zelf het liefst naar dingen die me ongemakkelijk doen voelen. Ik hou van luis-in-de-pelsfilms, -theaterstukken en -boeken. Misschien vat ik artistieke praktijk ook wel een beetje op als educatie. Educatie zonder antwoorden dan wel. Animatie is ook wel het medium bij uitstek om complexe dingen heel inzichtelijk te verbeelden, en dat op een lichte en fantasierijke manier. Op dit moment zie ik mijn filmwerk als bewegende maatschappelijke cartoons.

Naar welke makers kijk je op?
VANDEWYNCKEL: De animatie die mij het meest bekoort, is de Salad Finger-reeks, het werk van David O’Reilly, Don Herzfeldt, Kirsten Lepore. Hilarische depressie.

Inspireert muziek je?
VANDEYWNCKEL: Met muziek ben ik minder bezig, althans in het beginstadium, dat is een beetje jammer. Mijn verbeelding is nu eenmaal heel stil. Ik kan een project visueel helemaal voor mij zien en dan pas vaststellen dat er nog geluid bij moet.

En beeldende kunst?
VANDEWYNCKEL: Ik hou van alles wat donker en surreëel is. Léon Spilliaert, Alfred Kubin, Willian Degouve Denuncques. Nele Boudry, Hans Vandekerckhove, Michael Borremans.

Blijft theater een van je grote liefdes?
VANDEWYNCKEL: Zeker. Ik ga altijd met één been in theater en één been in film staan, denk ik. Ik ben een rusteloos mens, maar theater is voor mij dé plek om rustig te worden en inspiratie op te doen.

Kan je die rust ook vinden in een filmzaal?
VANDEWYNCKEL: Helemaal. Eén impuls krijgen, met niets om me af te leiden, dat is heel gezond voor mij. Ik ben op dit moment in de ban van de documentaires van Adam Curtis. Ik zag onlangs heel straffe films in de cinema: Home van Fien Troch, Manchester by the Sea… Ik vind in veel films inspiratie: je neemt gewoon mee wat je relevant vindt. Dat kan iets kleins zijn, één situatie, een zin, een personage.

Je hebt ook meegewerkt aan een 4x7-documentaire voor Canvas?
VANDEWYNCKEL: Ik werkte mee aan de film Joris van Anouk Fortunier (regisseur van VAF Wildcardwinnende kortfilm Drôle d’oiseau - nvdr) – over een man met psychoses. Ze onderzoekt de grens tussen het normale en het abnormale. Wie zal beweren dat wat Joris vertelt niet geniaal is? Ze nodigt ons uit om door zijn ogen naar ons ‘normale’ leven - in Joris’ werkelijkheid ons ‘van de pot gerukte’ leven - te kijken. Animatie wordt er vaak bijgehaald wanneer het gaat over de fantasie van kinderen of over de denkwerelden van mensen met een geestelijke beperking. Ik ben heel fier op het resultaat, Anouk is een topregisseur, ze geeft haar medemakers ook veel vrijheid. Onze plannen waren helaas wel iets te ambitieus, in het zicht van de tijd en de middelen, die hebben we een beetje moeten bijstellen.

Krijg je vaak voorstellen voor projecten met grootse ideeën over animatie die niet realistisch zijn?
VANDEWYNCKEL: Ik voel me soms wel een spelbreker, ja. Het is nooit fijn om de opdrachtgever teleur te stellen, en moeten: “als we nu meer tijd hadden…”. Ik begin vaak met een mini-cursus animatie: welke vormen bestaan, in gradaties van complexiteit, en wat is haalbaar binnen welk tijdsbestek. Fictieregisseurs en documentairemakers zetten animatie vaak een beetje anders in dan dat ik dat zou doen. Ze blijven heel braaf in hun ideeën, terwijl ze net eindeloos ver kunnen en mogen gaan in hun fantasie. Ik vind het heel tof om hun verbeelding verder open te trekken en suggesties te doen. Weg van menselijke figuren, weg van de wetten van de natuur.

Krijg je al je projecten gecombineerd?
VANDEWYNCKEL: Het zou aangenamer zijn om project per project te werken, maar dat is helaas niet haalbaar… Heel vaak worden projecten geschrapt of maandenlang uitgesteld, en als je dan je agenda volledig hebt vrijgemaakt, zit je met een probleem. Het is verstandiger om een paar dingen tegelijk in gang te steken. Dat is ok, ik heb graag drukke dagen. Ik houd van deadlines: die zorgen ervoor dat de dingen vooruitgaan.

Op het einde van dit jaar glip ik even weg. Ik ga drie maanden naar Brazilië waar ik zal werken aan een filmproject dat ik voor het Sacatar Residency-programma heb uitgeschreven. Ik ben volop Portugees aan het leren en contacten aan het leggen. Ik hoop er het concept en de aanpak van Pharmakos in Braziliaanse context verder uit te werken.

 

 

Sofie Rycken