Interview - Gilles Coulier ('Ijsland', 'Mont Blanc')


© Lies Willaert

 

Cargo, het langverwachte langspeeldebuut van Gilles Coulier, zal in september het Filmfestival Oostende openen. Heuglijk nieuws voor de liefhebbers van de razend populaire fictiereeks Bevergem die in 2015 potten brak op Canvas, maar ook voor de cinefielen die bekend zijn met de kortfilms van de West-Vlaamse cineast. Zowel Ijsland als Mont Blanc werden respectievelijk in 2011 en 2013 geselecteerd in Cannes en introduceerden de filmwereld aan Couliers uitzonderlijke visie.

 

***

 

In een interview zei je ooit dat het succes van Bevergem het gevolg was van heel bewuste keuzes. Keuzes waarbij de personages steeds centraal stonden.
COULIER: (lacht) Dat vind ik zelf wel een goeie quote van mij. Ik vertrek nu eenmaal altijd vanuit een personage, da’s de manier waarop ik mijn publiek meekrijg. Sommigen schrijvers vertrekken vanuit een plotgedreven verhaal – en dat levert zeker even interessante films op - maar voor mij zijn mijn personages het startpunt en de focus van een film. Wat willen ze, wie zijn ze, etc. Personages zijn ook altijd dingen die ik zelf voel, verstopt onder metaforen.

In Bevergem vertrokken jullie ook vanuit de personages?
COULIER: Inderdaad. Het begon met Bart (Vanneste) die het idee van Bevergem had – een comedian die moet vluchten naar een typisch Vlaams dorp. Vervolgens zijn een heleboel acteurs zoals Wannes (Cappelle) hun personages persoonlijk beginnen uitwerken. Het is pas daarna dat we zijn beginnen schrijven.

Zowel in Bevergem als in je kortfilms zijn die personages steeds zeer volks en dragen ze elk hun eigen kruis.
COULIER: Ja, klopt. “Ik ben meer geïnteresseerd in het wenende meisje dan in de spelende kinderen”. Dat is bij mij exact hetzelfde. Dat is een hard realisme dat mij onwaarschijnlijk aantrekt en net dat écht zijn – dat Vlaams zijn – dat fascineert mij. Mensen zeggen me altijd: “Je gebruikt dat dialect.” Maar dat dialect is voor mij geen noodzaak. Het gaat erom die personages op zo’n echt mogelijke manier weer te geven. En dan komt er uiteraard automatisch een dialect bij kijken, want tenzij je een film maakt over een dictieleerkracht is er niemand ter wereld die perfect Algemeen Nederlands praat.

Je gaat dus op zoek naar authenticiteit. Maar ook naar de outcasts.
COULIER: Tja, mensen die gelukkig zijn interesseren me niet.

 


Mont Blanc (dir. Gilles Coulier) werd in 2013 geselecteerd voor de Officiële Kortfilmcompetitie in Cannes. Met Wim Willaert (links) & Jean-Pierre Lauwers (rechts).

 

Ongeluk komt in jouw werk voornamelijk voort uit het onvermogen tot communiceren, klopt dat?
COULIER: Klopt. Ik kom zelf uit een gezin – net als vele anderen – waarin ik over heel veel mocht praten. Maar als ik naar sommige mensen kijk… Ik denk vaak: “Allez jongens, als jullie er nu even over praten, dan is het in orde”. Dan komt het goed. Dat gebrek aan communicatie is iets wat mij fascineert, want een gesprek zou zoveel oplossen. Bijvoorbeeld… In Cargo zit geen enkele vrouw. Mocht er een vrouw geweest zijn, dan had het probleem zich wel opgelost. Voor mij is de vrouw de zee; de zee die alles opslorpt, waar de mannen naar hunkeren. Maar ze kunnen er geen vat op krijgen, ze verliezen zichzelf. Het is helaas datgene wat zo onvatbaar is. De personages in Cargo hunkeren naar iets, maar kunnen er niet over communiceren.

Je zegt dat je personages voortkomen uit je eigen ervaringen of emoties. Geldt dat ook voor je langspeeldebuut Cargo?
COULIER: Uiteraard. Cargo vertelt het verhaal van drie broers die hun vader verliezen. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in die vader-zoon-relatie. Net als in mijn kortfilms… Ik zie Cargo dan ook een beetje als een soort samenvatting van Ijsland, Paroles en Mont Blanc. Ik ben heel trots nu de film af is, dat ik mijn eigen stempel heb kunnen drukken als jonge filmmaker. Dat ik de film eigen heb kunnen maken.

Want er is plots een heel nieuwe dimensie bij het maken van een langspeler. Bij het maken van een kortfilm zijn er maar twee mensen die je moet pleasen: jezelf en potentiële jury's of potentiële festivals. Want dat zijn de mensen die ervoor zorgen dat je een naam krijgt, die erop letten of je een eigen stempel hebt en ervoor zorgen dat je financieel verder geraakt voor een volgend project. Dat zijn eigenlijk de énige mensen die je gelukkig moet stemmen. Maar nu voor Cargo komt er plots een derde partij aan te pas, zijnde een commerciële groep. Zij willen cijfers zien. En dan beginnen de afwegingen. Maak ik een film voor mezelf? Maak ik een film voor de festivals? We hebben geprobeerd daar een mooie balans in te vinden. We hebben geprobeerd met die commerciële atmosfeer rekening te houden, zodat de film het potentieel goed kan doen bij een publiek. Dat was voor mij een nieuwe oefening. Bij Bevergem hebben we dat ook geprobeerd en is het gelukt. Er was gemikt op 150.000 kijkers en we zaten tegen de 700.000 kijkers. Kortom, ik wil niet dat het publiek het gevoel heeft: “Hij houdt geen rekening met ons.” Anderzijds wil ik altijd waarachtig blijven aan mijn oorspronkelijke visie, mijn stempel.

Dutch Filmworks heeft de film opgepikt. Dat wil toch zeggen dat zij geloven in een mooie nationale release?
COULIER: Ja, ze hebben Cargo opgepikt in de scenariofase. Maar dat is vree goed, ja. Iets om trots op te zijn. Dat mijn film in de grote zaal uitkomt... Maar laat ons vooral ook hopen dat de film in kleinere zalen uitkomt! Zoals Lumière, Sphinx, etc. Ik heb het gevoel dat ik een film heb gemaakt die daar ook niet misstaat. Dat toont ook aan wat voor film ik heb willen maken: eentje die een breed publiek kan bereiken maar ook de meerwaardezoeker iets extra kan bieden.

 


Gilles Coulier op de set van Cargo, samen met de drie hoofdacteurs van de film.

 

Je bent nog jong: welk parcours heb je momenteel achter de rug?
COULIER: Hmm, ik was eigenlijk een vrij moeilijke leerling op het college in Brugge. Ik werd zoals bij veel kinderen met overenthousiasme vastgesteld; ik werd daardoor moeilijk begrepen. Ik was geen evidente leerling. Ik haalde goeie cijfers en daardoor hebben ze mij altijd in de richting economie geduwd. Soit, dat heeft ervoor gezorgd dat ik ook in Economie terechtgekomen ben mijn eerste jaar in Gent. Daar heb ik het iets te bont gemaakt en daardoor was ik flagrant gebuisd. Toen heb ik mijn vader ook gezegd dat ik voor film wou gaan, terwijl hij in eerste instantie nog zei dat ik voor iets met jobzekerheid moest gaan. En dan ben ik op Sint-Lukas terechtgekomen. Mijn eerste jaar was ik gebuisd… Samen met een grote groep mensen die nu bekend zijn eigenlijk. (lacht) Wij hebbben toen een extra jaar gedaan.

Maar in mijn derde jaar vond ik wel dat ik me moest gaan bewijzen. Toen heb ik Ijsland gemaakt en daarmee heb ik een VAF Wildcard gewonnen. In mijn masterjaar heb ik Paroles gemaakt, daarna Mont Blanc. En momenteel ben ik bezig aan Cargo en De Dag (geschreven door Jonas Geirnaert en Julie Mahieu).

Je hebt nog niet zolang je eigen productiehuis: De Wereldvrede.
COULIER: Inderdaad. We hebben momenteel een aantal jonge mensen die een volgend project aan ’t ontwikkelen zijn bij ons. Zoals Leo van Dijl en Anouk Fortunier, die de twee Wildcards gewonnen hebben twee jaar geleden. Ook Wannes Destoop is aan iets bezig... Er zit veel in de pijplijn. Maar ik trek elk jaar nog naar het Kortfilmfestival van Leuven.

Je volgt de kortfilmscène nog steeds?
COULIER: Natuurlijk. Met een kortfilm kun je heel snel zien of iemand iets te vertellen heeft en of hij of zij het op zijn eigen manier doet. Daarom is het zo’n interessant medium. En er gaat amper tijd aan verloren.

Ten slotte, de groté clichévraag: heb je nog tips voor jonge filmmakers?
COULIER: Heel simpel: je eigen ding doen. Ik zeg heel vaak tegen gasten die aan mij vragen wat ‘een eigen stempel’ betekent: wanneer een nummer van Bob Dylan opstaat, kan je meteen herkennen dat het Bob Dylan is. Hij heeft een specifieke stem. En dat is absoluut niet altijd de mooiste. Maar het is wel zijn eigen stem.

 

 

Michiel Philippaerts